Casus over een eetstoornis
Werken met Een Taal Erbij®
In deze casusbespreking een deel van een gesprek met een moeder (Els) en haar dochter (Lydia). Dochter is onder behandeling voor haar eetstoornis, anorexia nervosa.
Het gezin, vader Theo 57 jaar, moeder Els 54 jaar, zus Renate 28 jaar, broer Ronald 26 jaar en dochter Lydia, zij is 23 jaar oud. Alle kinderen zijn uitwonend. Vader en moeder hebben beiden een goede baan, vader als manager van een groot bedrijf en moeder als leidinggevende in de zorg. Moeder en dochter maken een verzorgde indruk, materieel gezien is het een welvarend gezin. Dochter studeert psychologie, woont op kamers en komt in de weekenden thuis bij haar ouders. Bij de initiële intake is er sprake van ernstige ondervoeding. Als we onderstaand gesprek voeren is er al sprake van enig gewichtsherstel en een te laag BMI.
Lydia heeft haar moeder uitgenodigd voor een systeemgesprek omdat ze zich door haar moeder onvoldoende gezien en gesteund voelt in het behandeltraject voor haar eetstoornis, ondanks dat ze ook momenten kan beschrijven waarin het contact met haar moeder betrokken en fijn is. Het eerste leidt met enige regelmaat tot conflicten tussen hen. Lydia wil een betere band met haar moeder ontwikkelen en steun kunnen krijgen in het herstellen van haar eetstoornis.
Hypothese vorming:
- Beider geschiedenis aangaande ruzie maken en het oplossen van conflicten zitten hun onderlinge dynamiek en goed herstel van de eetstoornis in de weg.
- De plek en positie van dochter binnen het gezin en haar eetstoornis zijn van invloed op de conflicten met moeder.
- De socialisatie van moeder speelt waarschijnlijk een rol in het huidige contact met dochter daar waar dochter zich niet gezien en gesteund voelt.
We stappen in tijdens de therapiesessie nadat dochter verteld heeft dat ze zich niet gezien en gehoord voelt door haar moeder en dat dit tot spanningen en conflicten leidt.
De poppetjes van beiden staan met een rood schadeteken, dat de ruzies symboliseert, inmiddels al op tafel.
Hulpverlener: “Els hoe is het voor jou om dit van Lydia zo te horen?”
Els: “Ik vind het lastig, weet niet zo goed wat ik er over kan zeggen. Ik ervaar ook spanningen tussen ons. Ik weet niet wat ik wel en niet kan zeggen zonder dat daar ruzie over komt. Ik ben bang dat ik het verkeerde zeg.”
Hulpverlener: “Heb je enig idee wat maakt dat je niet goed weet wat je tegen haar kan zeggen en dat je bang bent het verkeerde te zeggen?”
Els: “Nee ik heb geen idee, zo voelt het voor mij gewoon. De ruzies die er eerder geweest zijn als ik wel wat zei bevestigen dat.”
Hulpverlener: “Els, ik ben benieuwd hoe dat vroeger bij jou thuis was, als kind. Hoe heb jij van huis uit geleerd om te gaan met spannende situaties zoals ziekte of verdriet. Is het oké dat we daarnaar kijken?”
Els: “Ja dat is goed, ik wil er alles aan doen om mijn dochter beter te kunnen helpen!”
Hulpverlener: “Kan je mij vertellen uit wat voor gezin je komt en hoe de gezinssamenstelling was toen jij jong was, zo’n beetje eind lagere school?”
Els: “Ik kom uit een gezin met een oudere zus, zij is 3 jaar ouder dan ik. Mijn vader werkte in de techniek, had ook wel onregelmatige diensten voor storingen. Mijn moeder was huisvrouw en zij zorgde voor de kinderen. Ik was de middelste van 3 kinderen, ik had ook nog een zusje dat 2 jaar jonger was maar zij is op 4-jarige leeftijd verongelukt.
Hulpverlener: “Zo, wat een heftige situatie was dat. Hoe werd daar bij jullie thuis mee omgegaan?”
Els: “Mijn vader wist zich er eigenlijk geen raad mee, ik denk dat hij zich onmachtig voelde en kon daar niet goed mee uit de voeten. Op mijn moeder had het diepe impact. Het maakte haar erg verdrietig en zij begon zich terug te trekken. Ik weet nog dat zij op de geboorte- en sterfdag van mijn zusje altijd op bed lag op haar slaapkamer en dan niet gestoord mocht worden. Ook op andere feestdagen was dat eigenlijk zo, met kerst, Pasen en dergelijke. We vierden vanaf dat moment ook geen Sinterklaas meer. Wij moesten dan als kinderen stil zijn en vooral onze moeder met rust laten. We probeerden wel voor haar te zorgen door eten en drinken te brengen maar daar kwam nauwelijks reactie op.
In samenspraak met Els worden de poppetjes gekozen en komt haar gezinssituatie in beeld zoals dat was toen zij klein was, nadat haar zusje was overleden. Daarin zijn ook de reacties (houding) van haar ouders uitgebeeld.
Hulpverlener: “Hoe was dat voor haar?” (hulpverlener wijst naar het kindpoppetje van Els)
Els: “Ik had het gevoel dat het niet goed genoeg was wat ik deed en dat het niet gezien werd. Ik probeerde vooral goed voor mijn moeder te zorgen en mij aan te passen. Mijn moeder was voor mijn gevoel vaak niet bereikbaar op zulke dagen.”
Hulpverlener: “Op wat voor manier werd er bij jullie thuis gesproken over het overlijden van jouw zusje?”
Els: “Daar werd niet over gepraat, ik voelde dat dit een onderwerp was wat vermeden werd en onbespreekbaar was binnen ons gezin. Er werd bij ons thuis nauwelijks gepraat over gevoelens, nog minder over het overlijden van mijn zusje en hoe dat voor iedereen was.”
Hulpverlener: “Betekent dit voor jou ook dat je het moeilijk vindt om over emoties of spannende kwesties te praten met je man en kinderen?” (hypothese toetsende vraag)
Els: “Ja dat roept bij mij al snel veel spanning op, ik ben erg geneigd om dat te vermijden. Alsof het er niet is”.
Hulpverlener: “Ben jij wel eens bang of bang geweest dat Lydia aan haar eetstoornis zou overlijden?”
Els: “Ja zeker, ik ben daar al vaak heel bang voor geweest dat Lydia deze aandoening niet overleeft! Maar ik heb dat nooit tegen haar durven zeggen.”
Hulpverlener: “Zou je kunnen zeggen dat de dood tussen jullie in staat, op deze manier? (hulpverlener past het beeld aan, zie volgende foto) En dat daar misschien wel een link zit met jouw eigen geschiedenis? Dat je het voelt, dat jer er bang voor bent maar het niet durft te bespreken, dat het vermeden wordt net zoals je dat van vroeger van huis uit hebt geleerd?”
Els: “Ja dat klopt zeker, heel treffend. Ik krijg er kippenvel van. Ik wist niet dat mijn eigen verleden mij zo in de weg zat (coping => oude pijn leidt tot vermijding in het hier en nu). Maar doordat dit nu zo op tafel komt is het direct heel helder!”
Hulpverlener: Lydia, hoe is dit voor jou om te horen van je moeder?”
Lydia: “Ik wist niet dat dit zoveel impact had. Ik wist wel dat er een tante van mij al zeer jong overleden was maar hoe dat voor mijn moeder is geweest, ik had geen idee. En helemaal niet dat dit onze relatie nu in de weg zit. Nu ik een eetstoornis heb lijkt een en ander ook veel meer tussen ons scherp te worden gezet.”
Hulpverlener: “Wat bedoel je daar precies mee?”
Lydia: “De behoefte die ik aan ondersteuning heb voor mijn herstel, wat ik daarin mis van mijn moeder en dat dit tot conflicten leidt. Terwijl ik al mijn energie eigenlijk nodig heb om te kunnen herstellen. Maar nu snap ik veel beter waardoor ik mij niet gezien en gehoord voel door haar. Als ik het zo hoor en zie dan voelt het voor mij als ik, met mijn eetstoornis, vermeden wordt doordat we het er niet goed over kunnen hebben. En ik begrijp nu beter hoe spannend het voor haar is.”
Hulpverlener: “Als ik jullie zo hoor dan lijkt er ruimte te ontstaan voor wederzijds begrip vanwege de pijn die er vanuit jouw moeders geschiedenis mee speelt. En waardoor het onderwerp “angst voor de dood” wat meer ruimte maakt voor onderlinge verbinding en we verder kunnen gaan kijken wat kan bijdragen tot herstel in jullie relatie en herstel van de eetstoornis!”
René Bakker, augustus 2026
Zelf leren werken met trauma en Een Taal Erbij®?
In de training Trauma met Een Taal Erbij leer je hoe je als hulpverlener erkenning geeft voor het leed van je cliënt, patronen zichtbaar maakt op tafel en verbinding herstelt, ook bij complexe situaties zoals vluchtelingenproblematiek, rouw en verlies.
Ady van Doornik
Systeemtherapeut en oprichter van De Kontekst Gooise Meren
Ady werkt al jaren met gezinnen die vastlopen, door trauma, verlies of complexe gezinsdynamiek. Met de methodiek Een Taal Erbij® maakt ze het onzichtbare zichtbaar: op tafel, met poppetjes, in beweging.
